iOS:
Bewaar als app -> Kies “Zet in beginscherm” en klaar!

Android:
Bewaar als app-> Kies “Toevoegen aan beginscherm”

Windows:
Bewaar als app-> klik op “Aan start vastpinnen”

loader

Aanmelden voor:

nieuwsbrief, lezersaanbiedingen, speciale acties etc.
Het nieuws van dichtbij

Rubriek Column

Belangstelling

Belangstelling

Van nature zijn mijn vrouw en ik niet nieuwsgierig ingesteld. Wel volgen we met belangstelling wat er rond ons heen gebeurt. Dat is toch voor iedereen belangrijk om redelijk te functioneren in onze maatschappij. We kregen eens nieuwe buren, een echtpaar. Ze waren druk bezig met het inrichten van het huis. Wij zagen dat met belangstelling aan zonder dat we iets van hen wisten. Zo na een week bleek de grootste drukte voorbij en nieuwe buurvrouw vroeg of we de andere dag op de koffie wilden komen voor kennis te maken. Uiteraard deden we dat met plezier.

Het was een zomerse dag en wij verbleven in onze tuin op het terras. Ook de nieuwe buren benutten blijkbaar een pauze om in hun tuin te vertoeven. Al snel hoorden wij een interessante woordenwisseling over financiën en vermeende escapades van beide echtgenoten. Het werd toevallig op ons terras erg heet dus besloten we de schaduw op te zoeken bij de schutting tussen onze tuinen. Toevallig konden wij daar het gesprek bij de buren veel beter horen. Het bleek dat hij enkele dagen met zijn secretaresse in het buitenland was geweest. Het werd ons niet direct duidelijk wat buurman daar moest doen maar buurvrouw wond zich erg op. Zij vertrouwde haar echtgenoot niet in dergelijke situaties. Buurman wees op de zakelijke contacten maar het bleek dat buurvrouw een rekening had gezien waarin het verblijf van slechts één kamer stond vermeld. Buurman verweerde zich dat dit uit zuinig-heidsoverwegingen was gedaan.

Wij hoorden geen deuren hard dichtslaan. Eveneens was het geluid van een wegrijdende auto te horen. Ik ben nog even voorlangs gelopen om te kijken of de auto er nog stond. Dat was het geval dus spoedde ik me weer naar mijn stoel bij de schutting want het was nog steeds te warm op het terras. Mijn vrouw praatte me bij. Buurman verweet buurvrouw dat ook zij een paar jaar geleden een slippertje had gemaakt. Dat bleek goed te zijn uitgepraat hoewel we de finesses van dat voorval niet te horen kregen.

Daarna besloten de echtelieden waarschijnlijk om binnen de conversatie voort te zetten want wij hoorden kopjesgerinkel en de achterdeur open en dicht gaan. Wij vonden het ook tijd om weer naar binnen te gaan. Het was eigenlijk wat warm om buiten te zijn. Door met belangstelling het gesprek te hebben gevolgd, konden we, zonder nieuwsgierig over te komen, de andere dag op de koffie gaan. We zagen er echt naar uit.

Om een goede indruk achter te maken had mijn vrouw een mooie bos bloemen gekocht. Keurig gekleed belden we aan bij onze nieuwe buren. Het was een hartelijk welkom zowel van buurvrouw als buurman. Natuurlijk zeiden we niets van wat we gisteren hadden gehoord. Toch werd er veel duidelijk. De echtgenoten waren toneelspelers bij hetzelfde gezelschap. Ze speelden de hoofdrol in het nieuwe stuk “De Overspelige Echtgenoot”. Zij vonden het heerlijk dat ze nu lekker buiten in de tuin hun rollen konden oefenen. Daar waren wij het roerend mee eens en zagen met belangstelling uit naar de voorstelling.

Koersen

Koersen

Wielerwedstrijden zijn niet meer zoals vroeger. Het merendeel verloopt als volgt. Er worden wat knechten van de grote jongens vooruit gestuurd om reclame te maken voor de sponsor. De stayers van de ploegen moeten zo’n twintig kilometer voor de finish de vooruitgeschoven renners terughalen en dan moeten de grote jongens het gaan afmaken. Dat is de moderne wielerwedstrijd. Daarna wordt de winnaar voor de camera gehaald en die beantwoordt wat standaardvragen: vertel jouw verhaal. En de winnaar begint: “Ja, tgingsnl en kzatgoed, beetvroeg konnet” of zoiets moeilijk verstaanbaars. Het komt er dan op neer dat hij iets te vroeg is afgezet door een ploegmaat maar met een uiterste krachtsinspanning van de zwaar gespierde benen zijn voorwiel nog net iets eerder dan de rest van de grote jongens over de finishlijn kon drukken. Dan komen er vragen of de groene trui zijn doel is, de kansen bij het WK of zoiets die ook weer met onverstaanbare woorden worden beantwoord.

Toen ik nog naar de basisschool ging, kwam de Ronde van Nederland eens vlak langs ons huis. Wij als vriendengroep gingen natuurlijk kijken. Daar begon waarschijnlijk mijn bedenking voor de wielrennerij als kijksport. Er was een renner die enkele minuten voor het peloton uit fietste. Hij fietste hard en zoef, hij was uit het zicht. Enkele minuten later kwam daar het peloton aan. Een lange zoef en het was voorbij. We hadden de Ronde van Nederland voorbij zien komen.

Op de televisie kijken we voor negentig procent naar dat vooruitgeschoven groepje reclamemakers. Een te overwegen alternatief is gewoon gaan kijken hoe het gras van het gazon groeit. Dat is net zo spannend. Ik heb meer respect voor de commentatoren die het klaarspelen die saaie beelden op te fleuren met allerlei verhalen over de renners en de omgeving waar de koers wordt gehouden. Als afsluiting is er veelal een samenvatting van een paar minuten waarin de hoogtepunten worden weergegeven. Als daarmee wordt begonnen bij de laatste tien kilometer dan krijgt u alle tijd om groeiend gras te gaan bestuderen.

De eindoverwinning van een ronde is nagenoeg altijd voor de kopman van beste ploeg, zelfs als er in zijn ploeg op dat moment betere renners zijn. Profwielrennerij is geëvalueerd van individueel naar samenspel. Niks mis met samen

spel maar de wielrennerij is er wel veel meer voorspelbaar bij geworden.

De collega’s van het veldrijden moeten het veelal nog alleen doen. Maar ook daar zijn al heel snel de krachtsverschillen duidelijk. Knap natuurlijk voor de renners maar voor de toeschouwers wordt het er een stuk saaier op.

En toch is de wielrennerij een ontspanning voor heel veel passieve beoefenaars. Dus fans, trek je niks aan van mijn overpeinzingen. Ik heb nog goede herinneringen aan Eddie Merckx die zowat in zijn eentje overwinningen verzamelde. Wat me ook nog is bijgebleven was de overwinning van Peter Post in, dacht ik, Parijs – Roubaix. De Belgische verslaggever van het journaal vatte het prachtig samen: “Peter Post demarreerde niet, hij reed gewoon harder dan de rest.’

Knudde Hot icon

Knudde

Je hoort het zelden nog langs de lijn, maar de uitroep is legendarisch: Hi Ha… vul maar in. Meestal gericht tegen de scheidsrechter van dienst. Ik heb nooit meer zo gelachen als toen ik die ene magistrale strip zag van Toon van Driel: hij had een stadion getekend waarvan de tribune was gevuld met herdershonden. Op het veld voetbalde FC Knudde. Zitten die honden te scanderen: “Hi… Ha… Mensenlul!” Echt, ik brak in tweeën.

Je kunt er ook maar beter mee lachen, dit soort spreekkoren. Eigenlijk is het natuurlijk om te huilen. En dat zijn niet alleen de spreekkoren; volgens mij is dit slechts één teken van het totale gebrek aan respect dat we vaak zien op voetbalvelden, zowel van spelers (onder elkaar en vooral richting de scheidsrechter) als van toeschouwers (richting scheidsrechter en richting spelers van de tegenpartij, soms zelfs eigen spelers).

Al sinds mijn prille jeugd moet ik van het geschreeuw langs de lijn niets hebben. Ik had dan ook al vroeg aanvaringen met mijn jeugdtrainers, die mij reeds in de E- en D-jeugd vooruit probeerden te schreeuwen. Maar ik kon niet beter, anders had ik het wel gedaan. Op enig moment heb ik dus maar eens teruggeroepen naar een trainer dat hij het wat mij betreft lekker zelf mocht doen, als hij het allemaal zo goed wist. Was ook al niet goed.

Sinds bovengenoemd jeugdtrauma ben ik dan ook geen echte voetballiefhebber meer. Wel heb ik jaren geleden tegen mijn zoon gezegd dat ik het prima vond als hij ging voetballen en dat ik zelfs graag wilde komen kijken; maar, zei ik er vanaf het begin bij, als het gaat ontaarden in gescheld of (nog erger) geschop, dan kom ik niet meer.

Dat ging eigenlijk jarenlang heel goed. Hij stroomde relatief laat in, met een jaar of 10, en kon direct tamelijk goed voetballen. De sfeer op en langs het veld was meestal prima. Met een enkele uitzondering: een paar seizoenen geleden, mijn zoon speelde toen in de C-jeugd, werd een wedstrijd tussen Duizel en Bladel gestaakt wegens aanhoudend commentaar (vanaf de tribune, door ouders!) op de scheidsrechter. Terecht.

Ongeveer in diezelfde tijd floot mijn zoon zijn eerste wedstrijd, bij de F-jes. Dosko F3 tegen iets met blauw en geel, ik had geen idee welke club. Maar ik ging wel even kijken, want ik vond het nogal wat, mijn zoon als scheidsrechter; goed ook, dat hij het wil doen voor de club. Hij was nog maar 14 jaar toen en voetbalde zelf nog niet eens zo lang.

Hij was wel groot voor zijn leeftijd en kwam dus wat ouder over. De tegenpartij scoorde en de thuisclub mocht aftrappen. Daarbij stonden enkele spelers van de thuisclub op de verkeerde helft. Tja, dat had de scheids moeten zien, maar hij zag het niet. Nou, je had die ouders van de bezoekende club moeten horen… Ik stapte erop af en legde uit dat de scheidsrechter zelf ook net aan zijn eerste wedstrijd bezig was. Maakte geen indruk. Ze bleven verontwaardigd. Bij de F-jes hè. Waar hebben we het over.

De afgelopen jaren ging het voetballen eigenlijk weer heel goed, op enkele incidenten met woorden (meestal vanaf de zijlijn) na, vaak gekoppeld aan clubs waarvan je weet dat dit kan gebeuren en waarvan wij hier op de dorpen dan verzuchten “Tja, de stad he…”

Maar zoonlief wordt ouder, is nog steeds groot voor zijn leeftijd, en zodoende wordt hij de laatste tijd af en toe als joker ingezet bij het eerste elftal. Vanmiddag, bij de derby Dosko ’32 tegen Knegselse Boys, kwam ik helaas dicht bij het punt dat ik niet meer wil komen kijken. Dat het geschreeuw langs de lijn – vooral van trainers, maar ook wel van toeschouwers – bij de senioren erger is dan bij de jeugd, daarvan was ik me de afgelopen weken helaas al pijnlijk bewust geworden; dat wil ik nog wel op de koop toe nemen.

Maar bewuste aanvallen op de ledematen van mijn zoon (en andere spelers uiteraard), daar hoef ik echt niet bij te zijn. Zijn ze nou helemaal van de pot gerukt. Morgen moet iedereen weer naar school, wat zeg ik, de meesten moeten gaan werken op die leeftijd. Onderhavige zoon probeert van drummen zijn beroep te maken. Probeer op maandag maar eens te drummen als op zondag je enkels zijn getorpedeerd…

Knudde, dat was het vanmiddag.

Stom 2 Hot icon

Stom 2

Ik heb laatst beloofd dat ik meer zou schrijven over dingen die ik stom vind. Nou, daar gaat ie dan.

Ik vind soep heel stom. Vooral de temperatuur. Ik ben dól op soep, maak veel varianten, van tomaat tot pompoen en van courgette tot bosui. Zodra de soep klaar is, wil ik die opeten en ik verbrand altijd mijn tong! Gewoon een kwestie van ongeduld maar toch. “Koud koken kan ik niet”, zei mijn moeder vroeger altijd als ik weer eens aan de kraan hing om de boel te blussen. Ik leer het nooit. Ik weet heus wel dat het niet aan de soep ligt maar toch is het stom.

Door rood rijden, vind ik stom. En dan vooral als andere mensen dat doen, natuurlijk. Nu ik erover nadenk, die staat in de top 3 van dingen die ik stom vind. Zoals eerder gezegd, pak ik regelmatig de fiets en dat ik nog niet aangereden ben, mag een klein wonder heten. Ik heb zo’n vlugge fiets dus ik trek lekker snel op als mijn verkeerslicht op groen springt. Te vaak raast er toch nog net een auto langs die zeker weten rood heeft. Oké, als ik in de auto zit, roep ik ook wel eens ‘donkergroen’ als het nét oranje is maar met 80 km/u door rood rijden, dat is misdadig.

Nu we het toch over het verkeer hebben: vrachtwagenchauffeurs die elkaar met 80 km/u inhalen vind ik stom. De ene rijdt 80, de chauffeur daarachter wil 81 want harder kan door de begrenzer niet en gaat er dan voorbij. Met als gevolg dat je bijna stilstaat op de snelweg, voor je gevoel dan hè. Alle respect voor vrachtwagenchauffeurs want ze brengen toch maar mooi al onze spulletjes weg. In de bebouwde kom krijgen ze van mij alle vrijheid en voorrang maar op de snelweg wil ik dat ze lekker rechts blijven rijden. Of vinden truckers mij nu stom?

Waar ik echt geen woorden voor heb, zo achterlijk vind ik het, is als ik lees dat mensen hulpverleners hinderen in hun werk. Wát gaat er in je om als je een ambulancemedewerker het werken onmogelijk probeert te maken of in
discussie gaat met een politieagent die een reanimatie is gestart of een dader van een overval aanhoudt? Heb je dan een hekel aan het slachtoffer of denk je dat je stoer bent? Van mij mogen ze een database aanleggen van mensen die hulpverleners gehinderd hebben. Als zij dan ergens liggen te creperen, is het jammer maar helaas, dan wordt je niet geholpen. En hoezo hulpverleners? Je hindert de schoenmaker toch ook niet als ie nieuwe hakken onder je schoenen probeert te zetten? Is het omdat ze een makkelijke prooi zijn met hun focus op het slachtoffer? Nou, dan ben je echt een enorme loser als je zo’n type bent! En dan kom je met stip op nummer 1 in mijn ‘vind-ik-stom-lijstje’.

Augurken Hot icon

Augurken

Je bent lekker boodschappen aan het doen en ineens zie je hem: die vage kennis van je ouders waar je niet zo veel mee hebt. Geen oogcontact maken! Shit, te laat… Hij komt naar je toe met die gretige ‘laten we even gezellig praten’-blik in z’n ogen. “Zo, ook boodschappen aan het doen?” Uhh ja, wat denk je zelf?

Wanneer mensen de behoefte hebben een gesprek met een ander aan te komen en het ze ontbeert aan inhoudelijke onderwerpen vallen ze terug op dé sociale rots in de branding: smalltalk. Of het nu het weer is, werk, vakantie, kinderen of huisdieren, er valt altijd wel iets te zeggen. Waarom voelen we de behoefte een gesprek aan te knopen ook als we daar eigenlijk zin in noch tijd voor hebben?

Ik vind smalltalk een interessant fenomeen. Het is ook heerlijk om op openbare plaatsen gesprekken af te luisteren waarvan je hoort dat een van beiden (of allebei) eigenlijk geen zin in het gesprek heeft. Begrijp me niet verkeerd, ik heb me er ook menig maal schuldig aan gemaakt. Dat je er ineens uitflapt dat het goed zou zijn voor de planten als het een keer zou regenen. Met een cocktail van geforceerd glimlachen en geveinsde interesse kijk je met ijzeren regelmaat op je horloge. “Ik moet weer door, moet nog vanalles doen!”

Ik vraag me dan wel eens af wat het nut is van zulke gesprekken als we ze eigenlijk niet wensen en we ook geen schrikbarende dingen te melden hebben. Sterker nog, ik vind smalltalk vaak gevaarlijk kortzichtig. In de haast om geen zogezegd pijnlijke stilte te laten vallen stellen ze een vraag over iets dat ze van je weten. Ik krijg, als schrijver, dus wel eens de vraag ‘En, nog veel aan het schrijven?’. Of, als iemand die graag bordspellen speelt, ‘En, nog veel spellen gespeeld?’.

Dit is nog vrij onschuldig. Smalltalk is ook een kweekvijver voor stereotypering. Ik heb bijvoorbeeld een huis gekocht samen met mijn vriendin. Dat is voor sommigen een reden om eens te informeren wanneer we gaan trouwen en kinderen krijgen. Tuurlijk, je hóeft niet te trouwen. Je hóeft geen kinderen te nemen. Wanneer mensen dit soort vragen stellen zou je bijna trouwen zonder dat je nog weet of je dat zelf eigenlijk wel wilde. Gewoon, omdat je denkt dat het erbij hoort. Je ziet het ook terug op sociale media: wanneer iedereen foto’s van leuke feestjes post ben je geneigd te denken dat alles wat daarvan afwijkt niet door de beugel kan. Thuisblijven op een zaterdagavond? No way!

Dat mensen in de supermarkt tegen je praten over het weer wil niet zeggen dat jij dat ook moet doen. Als ik niets boeiends te zeggen heb houd ik liever mijn mond. Het is veel te makkelijk om iemand zo in een hokje te plaatsen. Wanneer mijn vriendin op een feestje niet drinkt, omdat ze bobt, zie je mensen al vragend kijken. Dadelijk gaat ze nog augurken eten!

Brabants voor beginners

Brabants voor beginners

Het Noordbrabants museum in ’s Hertogenbosch heeft een boekje uitgebracht wat ik graag wil aanbevelen. Het is een handwijzing voor de zakenman van de 21-ste eeuw die de Brabantse taal moet kunnen verstaan. De titel nodigt niet uit als een lid van die doelgroep, keurig netjes in het pak, in woord en daad het Algemeen Beschaafd Nederlands te berde brengt. De titel luidt: “Gezeik op unne riek”. Het Brabants dialect blijkt de kortste taal van Nederland te zijn althans, dat wordt gesuggereerd. Oordeel zelf hoe Brabanders ellenlange gesprekken in het dialect verkorten.

Hier volgen wat voorbeelden:

NL: Ik moet vaststellen dat hier sprake is van een zekere mate van breedsprakigheid.
Br: Wa’n gezanik!

NL: U hebt het geheel en al bij het rechte eind!
Br.: Krek!

NL: Wij willen u graag even laten weten dat we zijn aangekomen.
Br.: Volluk!

NL: Wij komen voor een afspraak met de directeur.
Br.: Is jullieë Jan thuis?

NL: Kunt u ons laten weten waar uw wensen naar uit gaan?
Br.: Wè wilde?

NL: U moet ons bij deze onderneming niet voor de voeten lopen.
Br.: Gô’s ötteweeg.

NL: De door u aangeleverde kostenopstelling roept bij ons nogal wat vraagtekens op.
Br.: Veuls te duur!

NL: Ik denk dat wij na alles wat hier gebeurd is beter afstand kunnen nemen van deze persoon.
Br.: Bloast ‘m toch op!

Zo zie je maar dat ons dialect ten opzicht van het ABN het aantal woorden verkleind. Het Brabants is veel directer, niet zo erg van “om de hete brij heen draaien”. Toch durf ik er vraagtekens bij te zetten. De bovengenoemde uitdrukkingen zullen in de intieme sfeer best wel gebezigd worden. Naar vreemden toe geloof ik daar niet zo in. Ik ontdek veel meer een afwachtende houding, zo van “eerst even zien wat voor vlees er in de kuip zit.” Eerst proberen je een oordeel te vormen over de vreemde alvorens we de persoon overspoelen met onze eigen taal en gewoonten. Als je vindt dat een vreemde te veel woorden gebruikt om iets uit te leggen, moet die persoon toch wel tot je intieme familie- of kennissengroep behoren om hem een zanikerd te noemen. Als je in een stad in het westen des lands een winkel binnenstapt waar op dat moment geen personeel beschikbaar is, zal de doorsnee Brabander niet “Volluk” roepen.

Het boekje is dus niet bestemd om de Nederlander Brabants te leren uitspreken maar veel meer om niet-Brabanders te leren hoe wij onze taal gebruiken in de omgang. Het boekje laat ons ook kennismaken met de schoonheid van onze eigen taal.

Toen ik vernam dat de Engelse taal het op de scholen aan het winnen was van het Nederlands moest ik aan het bovenstaande denken. Als je nagaat hoe goed je je kunt uitdrukken in het Nederlands dan mag je best wat meer doen aan de continuïteit. En als je het Brabants er naast zet dan kun je alleen maar trots zijn dat het Brabants dialect nog steeds wordt gesproken.

Cirkelredenering Hot icon

Cirkelredenering

Sinds enkele maanden ga ik naar de sportschool. Want ja, met een lijf van bijna een halve eeuw oud moet je zachtjesaan maatregelen nemen om verval tegen te gaan. En het helpt: je voelt je er echt steviger door. Dus draai ik twee keer per week trouw mijn rondjes in de ‘Milon-cirkel’: acht apparaten, die gezamenlijk bedoeld zijn om je in een dik halfuur helemaal uit te wonen. Zes van die apparaten zijn bedoeld voor krachttraining, en twee voor uithoudingsvermogen: de fiets (of eigenlijk: hometrainer) en de cross-trainer.

Als ik er dan toch ben, probeer ik er ook alles uit te halen. Dus als er op een bordje staat dat je een prijs kunt winnen als je in 4 minuten meer dan 2 kilometer haalt op de fiets of de cross-trainer, voel ik mij geroepen om dat te proberen – als vaste lezer weet u immers dat ik mijn hand niet omdraai voor een stukje flink doorfietsen!

Op beide apparaten kun je een vermogen instellen. Bij dat vaste vermogen ga je aan de slag om een afstand te halen. Gevoelsmatig helpt het dan om zo hard mogelijk te trappen. Dat dus vele malen geprobeerd, maar het werd mij niet duidelijk of dat nou hielp om meer afstand te halen. Het vermogen hoger zetten helpt wel; daar wordt de ‘virtueel gefietste’ afstand duidelijk langer van.

Vrijdagavond op een feestje sprak ik hierover met de uitgever van dit mooie blad, die zelf ook actief is in dezelfde sportschool met deze Milon-cirkel. Hij had ook ontdekt dat het vermogen flink omhoog moest, wilde je kans maken op de felbegeerde 2 kilometer. En hij vroeg zich af, of ik dat kon beredeneren.

Welnu, ja, dat kon ik. Nog op hetzelfde feestje toog ik aan het werk, maar met vier bier op leek dat iets te overmoedig. Ik kwam steeds op hetzelfde uit, namelijk dat het getrapte toerental er niet toe deed. Dat wilde er bij mij niet goed in. Het leek of ik vast zat in een soort cirkel-redenering. De volgende dag (weer nuchter inmiddels) lukte het beter. Maar kennelijk kan ik met drank op toch nog redelijk redeneren, want er kwam hetzelfde uit: het toerental doet er niet toe voor de geregistreerde afstand. Ik bleef dat vreemd vinden.

Gelukkig heb je als natuurkundige altijd een ‘plan B’: het experiment! Dat kwam goed uit: het was zaterdag en ik was toch al van plan om naar de sportschool te gaan. Omdat je op elk apparaat twee rondjes doet, kon ik mooi een vergelijkend experiment doen: op de cross-trainer hield ik, bij hetzelfde vermogen, één keer een toerental tussen 70 en 75 aan, en één keer tussen 90 en 95. Afstand in beide gevallen: 1,825 km. Hee, mijn theorie was juist: het toerental maakt niet uit!

En het vermogen dan? Dat moet wel omhoog om de afgelegde afstand te laten toenemen, en flink ook! Dat is te begrijpen als je even aanneemt dat de apparaten een model hebben ingebouwd, dat luchtweerstand modelleert. Die kracht is evenredig met het kwadraat van de snelheid. Het getrapte vermogen (gelijk aan kracht maal snelheid) schaalt dan zelfs met de derde macht van de snelheid, dus P~V3.

Omgekeerd geldt, dat de gemodelleerde snelheid (en dus de afgelegde afstand, want de tijd van 4 minuten is vast!) schaalt met de derdemachtswortel uit het vermogen. Dus 10% extra vermogen betekent slechts 2 à 3 % extra afstand. Omdat ik aanvankelijk op de fiets ook rond die 1.82 km bleef hangen, had ik 10% meer afstand nodig om de 2 km te halen. Daartoe moest het vermogen met een factor (1 + 0.1)3 omhoog en dat is 33% extra!

Gelukkig kreeg ik die 33% extra ook nog wel rond getrapt. Dat gaat des te makkelijker als je onderwijl aan iets anders denkt. Cirkelredeneringen over de rol van vermogen en toerental zijn daartoe zeer geschikt. Zo kun je in die 4 minuten bijvoorbeeld uitrekenen, bij welk vermogen je het record gaat verbreken.
Pfff… dat kost een godsvermogen!

Fjaðrárgljúfur Hot icon

Fjaðrárgljúfur

Ik waag me er nog steeds niet aan om ze uit te spreken, de namen van die geweldige plekken in IJsland waar we eerder dit jaar waren. Fjaðrárgljúfur stond hoog op het wensenlijstje van oudste en toen ik op haar advies de clip ‘I’ll Show You’ van Justin Bieber bekeek, begreep ik waarom. De Canadese popster nam in 2015 deze videoclip op met een heleboel mooie opnames in IJsland en wat het meest tot de verbeelding spreekt is de sprookjesachtige kloof.

De huisjes van Hunkubakkar Guesthouse in Kirkjubæjarklaustur waren mooi gelegen en vormden een perfecte locatie om van daaruit de beroemde kloof te bezoeken. Helaas.. het leek erop dat we geen Fjaðrárgljúfur kloof konden bezoeken: ook al was het enigszins provisorisch, er stonden twee waarschuwingsborden op de toegangsweg naar de kloof met ‘Lokað’, ofwel ‘gesloten’. Een grote groep toeristen stoorde zich echter niet aan de borden en parkeerden hun auto’s gewoon op de kleine parkeerplaats vlakbij. Ook wij besloten om een stukje richting de kloof te gaan lopen.

Internet gaf snel uitsluitsel over de reden van de afsluiting tot 1 juni: de vegetatie in het gebied was zwaar beschadigd door de talloze toeristen, waarbij ook de ongewoon warme winter een rol speelde. Door de sluiting kreeg de platgetrapte vegetatie tijd zich te herstellen. We waagden ons niet verder dan bij de entree van de kloof, waarbij het ons opviel dat sommige toeristen zich totaal niet stoorden aan de borden en waarschuwingen, tot en met het risico op gevangenisstraffen aan toe.

Vorig jaar trok IJsland 2,3 miljoen toeristen, tegen 450.000 in 2008. Het eiland met een bevolking van 330.000 mensen lijkt de toeristenplaag niet aan te kunnen. Massaal toerisme als redmiddel na een periode van financiële crisis… het is de vraag of dit het land in nieuwe problemen gaat brengen. Geen entreegelden voor de fantastische parken en grootse natuur, veel te kleine parkeerplaatsen, toeristen die niet om kunnen gaan met 4×4’s, kloven die afgesloten worden en een enorme ecologische voetafdruk dankzij al dat vliegverkeer.

Misschien moet Bieber al die incidenten in beeld brengen om dit pure en prachtige land tegen zichzelf in bescherming te nemen.

Posts loader